We moeten hier weg VIII: Mijn buurvrouw Judith

We moeten hier weg VIII: Mijn buurvrouw Judith

In 1973 gaat ze werken in Amsterdam, mijn buurvrouw Judith. En daarom zoekt ze woonruimte. Gewend aan de ouderlijke eengezinswoning schrikt de 21-jarige ervan hoe Amsterdammers wonen.
In gleuven boven, onder en naast elkaar!
Dat is geen leven.
Haar schoonzus woont op een boot bij Loosdrecht. Zodoende gaat Judith ook op het water zoeken. Dan nog een voordelige vorm van wonen, bovendien.
Ze betrekt een opgebouwd stalen “Westlandertje”, ooit gebruikt voor het vervoer van tuinbouwproducten. Maar de gemeente wil af van stalen woonschepen. Het regelmatig zandstralen en teren is slecht voor het milieu.
Nu wil het dorp Wassenaar toevallig juist haar woonarken lozen. En zo kan ze een Moree-ark uit 1951 overnemen.
De Moree, genoemd naar z’n Wassenaarse ontwerper, is groter dan het Westlandertje. Dus Judith op de fiets naar de Waterpolitie. Of ze van plek mag ruilen met de buren. Na wat stempels en briefjes en nog meer stempels en briefjes is het geregeld.
Samen met haar zusje en moeder vaart ze de ark met een sleper naar de stad. Tegen de avond bereiken ze het Nieuwe Meer, waar wordt overnacht. De volgende dag, 10 februari 1976, wordt de ark aangemeerd op de plek waar-ie nog altijd ligt.*
Judith ligt dan in een rijtje met alleen maar jonge vrouwen. Creatievelingen en studenten. Aan de wal ziet men woonbootbewoners weliswaar onverminderd als zwervers, de werkelijkheid is aan het kantelen.
Toch blijft de gemeente zelfs het kleinste detail van haar drijvende burgers bijhouden op een grote stadsplattegrond, zo wordt gezegd. Punaises in verschillende kleuren zouden daarbij staan voor het type boot én bewoner. Met dank aan de Sluis-, Brug- en Waterdienst die op de fiets het liggeld komt innen en zo alles van iedereen weet.
Is het behelpen omdat er nog geen riolering is en ze kookt op een gasfles? Welnee. Hooguit lastig als d’r haar net ingeshampood is en de gasfles leeg blijkt. Of als de waterleidingen bevriezen en er water bij de bakker over de brug moet worden gehaald.
Terug naar de wal is voor Judith geen optie. De vrijheid om middenin de nacht keihard te zingen zonder dat iemand er last van heeft, die geef je toch niet op?

*Op twee kleine tijdelijke verplaatsingen na; waarover later meer…
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 8 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

© Marjan Ippel

We moeten hier weg VII: De vind-app

Er staan twee politieagenten voor de deur. Dan schrik je toch altijd even.
Ze vallen meteen met de deur in huis. Ze hebben een aangifte van diefstal van een iPhone en volgens de app ‘Find My iPhone’ bevindt het gestolen exemplaar zich op onze woonboot.
Fijne binnenkomer.
Wat zeg je dan in zo’n situatie? “Hij is hier niet.” Want dat is zo.
De agenten zijn er zelf ook verlegen mee, maar de vind-app liegt niet. Dit is de plek.
Vind-app versus woonbootbewoner. Wie te geloven?
Gelukkig zijn de platte petten niet van de generatie die woonbootbewoners per definitie zag als tuig van de richel, asocialen, klaplopers.
De wet waarin woonbootbewoners officieel als randmaatschappelijken werden bestempeld waartegen de brave burger in bescherming moest worden genomen, werd ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw officieel ingetrokken. Ik schat dat deze twee toen net uit de luiers waren.
Maar ja, die app…
Of ik soms huisgenoten heb die wellicht per ongeluk in het bezit zijn van de bewuste telefoon?
Nee, dus.
Ik stel voor op straat te zoeken. Vanwege de nabijheid van nogal wat uitgaansgelegenheden vinden we tussen de planten geregeld gestolen tassen, jassen en portemonnees waar de waardevolle spullen uit zijn gehaald. De verworpen items geven wij altijd netjes bij het dichtstbijzijnde politiebureau af.
Dat van hun.
Maar in de bosjes hadden ze al gekeken. En volgens de app ligt het toestel niet daar, maar hier.
Ik kan niet anders dan adviseren toch elders te zoeken, want dit is een doodlopende weg. Of wilden ze soms huiszoeking doen?
De agenten druipen af, om even later weer aan te kloppen. Ze hebben de smartphone gevonden: hij lag – waarschijnlijk weggesmeten – in het water pal tegen onze woonboot aan.
“De vind-app werkt dus prima”, oordelen ze.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 7 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

We moeten hier weg VI: Stukje Historie 1

We moeten hier weg VI: Stukje Historie 1

Ook al zien gemeentes ze nog altijd liever gaan dan komen (of blijven), het is niet meer zo erg als begin twintigste eeuw toen woonbootbewoners een “maatschappelijk euvel” heetten, beschonken landlopers die de brave burgers belaagden en moesten worden aangepakt en opgepakt.
Het is 1903 als Prof. Mr. Jacob Domela Nieuwenhuis, telg uit het beroemde domineesgeslacht, de opdracht krijgt tot vorming van de ‘Staatscommissie inzake Bedelarij en Landlooperij, Woonwagens en Woonschepen, Habitueele Dronkenschap’, ter voorbereiding van een wet die het maatschappelijk euvel bij de wortel moet uitroeien.*1
Vier jaar later zoeken Jacob & co. nog altijd vergeefs naar harde bewijzen voor het algemeen heersende negatieve beeld van bootbewoners.
Er wordt dan niet geconcludeerd dat er geen grond voor zo’n wet is.
Nee, in 1911 gaat het onderzoek gewoon in de herhaling. Dit keer met een focus op leefomstandigheden in vierkante meters, de overdracht van besmettelijke ziektes, inkomen, naleving van de wet op de leerplicht en bovenal: drankgebruik.
En? Opnieuw geen hard bewijs.
In plaats van blij te zijn, bedenkt de staatscommissie dat de lokale Bromsnorren vanwege de onvastheid van de onderzoeksobjecten geen goed beeld hebben kunnen krijgen van vooral die notoire drankzucht. *2
En dus komt de Wet op de Woonwagens en Woonschepen er op 26 juli 1918 gewoon zoals gepland.
Na vijftien jaar kan er eindelijk geproost worden op deze superhandige registratietool.
Hoewel? Juist dankzij deze landelijke wet die weliswaar regels stelt aan woonschepen, maar ze niet verbiedt, kan geen enkele waterrijke gemeente nog waterbewoners weren. Vooral in de grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Groningen stromen de aanvragen voor ligplaatsen binnen, die vanwege de torenhoge woningnood knarsetandend worden ingewilligd. De volgende tien jaar stijgt het aantal woonschepen explosief.
Oeps.
De wet heeft zich als een boemerang gekeerd tegen de gemeentes en hun wens om drijvende burgers te verdrijven.
Toch maken de ambtenaren zich ook weer niet echt zorgen. Immers, wonen op het water is vanwege de woningnood een tijdelijk verschijnsel dat vanzelf verdwijnt zodra er voldoende heipalen de grond in zijn gestampt voor nieuwe woonwijken.
Wordt vervolgd…
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

*1 Zie De Wet Woonwagens en Woonschepen van 1918.
*2 Bromsnor is de plaatselijke politieagent die altijd jaagt op Swiebertje, de landloper in de naar hem genoemde serie uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw.

Dit is column 6 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

© Marjan Ippel

We moeten hier weg V: Het bed

‘s Morgens steekt er een getypt briefje uit de brievenbus: “Als u ooit deze woonboot wilt verkopen, neem dan a.u.b. contact met mij op!” (plus telefoonnummer)
Het is niet het eerste en waarschijnlijk ook niet het laatste bericht met die strekking dat bij ons op de deurmat belandt. Soms ook wordt er aangeklopt met de vraag of we willen verkopen. (Nee)
De gemeentelijke en overheidsinstanties mogen de woonbootdossiers de afgelopen decennia als een hete aardappel naar elkaar hebben doorgespeeld – met als gevolg dat een deel is zoekgeraakt, zoals gemeenteambtenaar 2 laatst tijdens onze Zoom-sessie doodleuk vertelde – heel wat Amsterdammers dromen van een leven op het water.
En de gemiddelde toerist van een nacht op de gracht.
Later op die avond wordt er op de deur geklopt door een jonge vrouw, mobieltje in haar hand. De boot kopen wil ze niet. In plaats daarvan vraagt ze met een fors Londens accent of er een kamer vrij is. Pas dan ontwaart Cees, die op dit late uur opendeed, de gigantische roze rolkoffer naast haar op ons ponton.
Inmiddels gewend dat toeristen nogal eens moeite hebben hun online geboekte logeeradres te lokaliseren, wijst hij geroutineerd naar de overkant, de kade met een overvloed aan short stay-opties.
Case closed.
Maar niet voor de Londense die haar zinnen heeft gezet op slapen op een woonboot.
Onze woonboot.
Ze wijkt geen centimeter, hoezeer haar ook wordt duidelijk gemaakt dat het er niet in zit. En dat het bovendien onverstandig is om ’s avonds laat op willekeurige deuren te kloppen voor onderdak.
De Britse wordt ongeduldig. Een bed wil ze. Voor een nacht of twee. Hier. Wat valt daar niet aan te begrijpen?
Dat het hier geen hotel is, daar wil ze nog wel aan, maar “so what?”.
Na een “fuck you!” in authentiek cockney sleurt de toerist de roze rolkoffer de kade weer op, de duisternis in.
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 5 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

© Marjan Ippel

We moeten hier weg IV: De Tafel

Voor de eerste Zoom-sessie met de gemeente installeren we ons samen met de linker buurman aan onze tafel. Geen designy exemplaar, maar een afgeleefd ding vol sporen van ons dagelijkse woonbootleven.
De tafel die tijdens Covid zoveel méér werd dan eettafel alleen. Die stilletjesaan onze wereld werd, het centrum van onze lockdownactiviteiten. Waaraan we boodschappen deden, naar de bios of uit eten gingen, musea en concerten bezochten. En dat terwijl ons woon-werkverkeer zich beperkte tot het forenzen van de ene tafelhoek naar de andere.
Aan die tafel worden nu ook de eerste stappen gezet voor de Grote Waterverplaatsing. Na een voorstelrondje (“Mijn naam is Marjan en ik ben woonbootbewoner”) pakt gemeenteambtenaar 1 uit met een slideshow over het hoe, wat en waarom van de aankomende kadevernieuwing.
Bijna als een voetnoot verschijnt een getekende impressie van de huidige kadesituatie. Nu weten zelfs buitenlandse media dat Amsterdam die grote stad is gebouwd op palen – zoals ze gretig citeren uit het oude kinderliedje. Maar ben ik de enige die dacht dat daarmee uitsluitend de huizen en gebouwen werden bedoeld?
Werd ik op het verkeerde been gezet door de heimachines die in mijn jeugd met alle geweld houten palen de grond in ramden voor weer een nieuw woonblok? De complete stad, inclusief de 600 kilometer aan kades, blijkt door zulke palen te worden gedragen. Of liever, door een immense houten tafel.
Met weliswaar duizenden poten. Maar toch, een tafel.
En die tafel is flink afgeragd van al het leven dat er bovenop krioelt. Hij is aan het wiebelen. En daar helpt geen bierviltje meer tegen. Je ziet het tijdens koffieloopjes door de stad: vuistdikke scheuren in de kadewanden, muren die naar buiten hellen, bomen die zich tussen de bakstenen door wrikken om zich als een prediker met gespreide armen op te richten naar de hemel.
Maar dat blijkt dus het topje van de ijsberg.
Er volgen meer dia’s. Over hoe beton het hout gaat vervangen, bijvoorbeeld.
Maar voor mijn ogen zweeft dat ene beeld van de tafel die onze stad draagt. Waarop ons dagelijks leven, onze wereld zich afspeelt.
Tekst: © Marjan Ippel, 2021 | Beeld: Gemeente Amsterdam

Dit is column 4 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

© Marjan Ippel

We moeten hier weg III: De boomklever

Vanmorgen landde een boomklever op de tafel van ons moesvlot. Nieuwsgierig tuurde ze bij onze woonboot naar binnen, het kopje schuin.
Wij liggen precies onder de aanvliegroute van een groeiend aantal vogelsoorten, maar deze boomklever maakte vandaag haar debuut op het vlot.
Haar nieuwsgierigheid bracht de herinnering naar boven aan die Amerikaanse toerist die haar handen tegen ons keukenraam tot een kijker had gevormd. Staand op de zitting van haar canalbike begluurde ze me onbeschaamd, om tegen haar duopassagier uit te roepen: ‘Oh My God, hier leven echt mensen!’ (maar dan in het Amerikaans)
Goddank moesten smartphones nog worden uitgevonden.
En zo kwamen meer herinneringen aangevlogen. Van dat Franse gezin dat op een zomerzondagochtend aanklopte en vroeg of hier iemand woonde. Ze konden zich niet voorstellen hoe dat gaat, wonen op het water. Hadden we bijvoorbeeld wel verwarming? Een douche? En hoe ging dat met “pipi” en “caca”?
Zoekend naar mijn camera om de boomklever vast te leggen, dacht ik aan het Thaise tijdschrift met daarin een reisverslag over Amsterdam, ooit meegebracht door een in Bangkok wonende vriend. Op een van de foto’s had hij onze woonark herkend. Het bijschrift: ‘Zo wonen de mensen in Amsterdam: in drijvende hutten op het water.’ Of iets van die strekking. Ik moest het doen met zijn vertaling vanuit het Thais.
En dan die modefotograaf uit Moskou. Na een locatiescouting door de stad wilde hij perse op ons vlot een reportage schieten voor een Russisch modetijdschrift. Ook al stonden zijn meterslange modellen allesbehalve te springen om met hun al even metershoge hakken op een schommelend oppervlak te moeten balanceren.
Zou die boomklever zich nou óók afvragen of hier mensen wonen? Met de camera in de hand vroeg ik het me plots af. En hoe dat dan gaat met “pipi” en “caca”? (Nâh, dat niet)
Maar ze was al gevlogen.
Nog lang bleven mijn vragen in de lucht hangen.
Hoe je blijft kleven, bijvoorbeeld.
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 3 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

Marjan Ippel

We moeten hier weg II: Roerend Goed

‘Jullie moeten hier weg, hè?’
De zoveelste kadebuur die me aanklampt naar aanleiding van De Brief die ook op de wal voor opschudding zorgt.
‘Jullie komen toch wel weer terug?’
En dat is de standaard bezorgde reactie. Wij vormen een hechte buurt. Van de drijvende, zowel als de vaste kant. Met als jaarlijks hoogtepunt het kadefeest inclusief sjoelbak, partytent en culinaire huisvlijt.
De buurt die samen onze 80-jarige buurvrouw door lockdown I loodste met boodschappen, anderhalvemetervrijmibo’s en pannetjes eten. De buurt ook die haar de laatste groet bracht op háár kade.
Van die kade vormen onze arken een onlosmakelijk deel, ook al heten ze officieel ‘drijvende bouwwerken’ en volgens hypotheekbanken zelfs ‘roerend’ in plaats van ‘onroerend goed’. Wat in bancaire termen zoveel betekent als: vogelvrij.
Nog tot diep in de vorige eeuw vielen woonbootbewoners onder de Wet Woonwagens en Woonschepen, in 1918 aangenomen “om de ‘gewone’ bevolking te beschermen en de openbare orde te handhaven”.*
Woonbootkinderen zouden onder die wet niet welkom zijn geweest op buurtscholen, maar naar de schippersschool zijn verwezen.
En ergens jaren nul van deze eeuw bedacht een wethouder dat ons drijvende rijtje een nautisch knelpunt vormde en daarom subiet onze buurt en zelfs ons stadsdeel uit gedreven zou moeten worden.
Zo formuleert elk nieuw gemeentebestuur een eigen unieke visie op wonen op het water. Nu eens vormen we een karakteristiek stadsbeeld of dé oplossing voor het woningtekort, dan weer zijn we vooral obstakels voor uitzicht en verkoopwaarde van de kapitale kadepanden.
Daar zijn we aan gewend.
Maar als mijn Cees me er de afgelopen decennia op wees dat onze ark nu eenmaal niet zoals de rest van Amsterdam is gebouwd op palen en er dus een moment kan komen dat onze woondroom uiteenspat, vond ik hem een zwartkijker.
Tot nu. Tot De Brief. De Brief die meer vragen oproept dan beantwoordt. Want: we komen toch wel weer terug?
* Zie Afschaffing van de wet op woonwagens en woonschepen.
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 2 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al meer dan twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

© Marjan Ippel

We moeten hier weg I: De Brief

Het onheil besloop ons als een kat. Behoedzaam, schijnbaar onbeweeglijk. Onwaarneembaar voor wie niet weet.
Het eerste teken dat er ‘iets’ stond te gebeuren, was het onaangekondigd verschijnen van lukraak geplaatste betonnen plantenbakken op de kade waar kort daarvoor nog auto’s geparkeerd hadden gestaan.
Niet veel later laadden mannen in oranje hesjes vrijwel dagelijks hun driepotige meetapparatuur uit een busje voor een werkdag vol onduidelijke handelingen. Tenminste, voor mij. Bijvoorbeeld: een van de twee staand op de brug, handgebaren uitwisselend met de ander op de wal, als leden van een geheim genootschap.
Na hun bezoek stonden er steevast nieuwe getallen (5401, 6952) met witte verf op de stoep geklad. Soms begeleid door een ferme pijl. Soms ook door een forse stip of cirkel. Aan de buitenmuren van de woonpanden verschenen fluokleurige schietschijfjes en spiegelende objectjes gefacetteerd als de ogen van een vlieg. Bij tijden waren die plots ook weer verdwenen of verplaatst.
Op het dieptepunt van de coronacijfers arriveerden de oranje hesjes ’s morgens vroeg in een personenauto met omgekeerd op het dak een minuscule roeiboot in matching kleur die in luttele seconden in het water lag. Ze pasten er net samen in, de oranje hesjes, de knieën bijna in hun nek. Zo begon een minutieuze roeitocht rond onze woonboten. Ze haalden monsters uit het water. Of stopten die er juist in. Geen idee. Hun antwoorden op onze nieuwsgierige vragen brachten ons niets verder.
Echt serieus werd het toen een Kuifje-achtig duikpak aan een lange rubberen navelstreng als het monster van Loch Ness opdook naast het keukenraam – de apotheose van zich verplaatsende slierten luchtbelletjes, alsof een school vissen dicht onder het wateroppervlak een polonaise deed.
En toen op een dag gleed De Brief door de brievenbus: ‘Tijdelijke verplaatsing woonarken’.
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 1 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al meer dan twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.