Broodje bal

Broodje bal

‘Wie was er aan de beurt?’ De slager tuurt welwillend de stampvolle zaak rond, waar de rij zich zoals elke werkdag rond lunchtijd uitstrekt tot op de stoep.
‘Eén broodje bal. Wit’, neemt een man in een blauw pak het woord.
‘Ik dacht toch echt dat ik aan de beurt was.’ De vrouw naast de man in blauw slaat de armen over elkaar, als om haar protest te onderstrepen.
Een zinloze actie. ‘Meenemen’, vervolgt de pakdrager zonder haar zelfs maar aan te kijken.
Zij helt daarop licht over de glazen vitrine: ‘Eentje met ros, Joop.’
De slager houdt zijn handen bij wijze van overgave in de lucht.
Onverstoorbaar trekt de man in blauw zijn pinpas. ‘Pinnen, graag.’
‘Wel peper, geen zout, Joop. Mag niet meer van m’n dokter’, vervolgt de vrouw al even onvermurwbaar.
De overige klanten kijken elkaar besmuikt aan.
‘Wat nu?’ oppert de slager vertwijfeld. ‘Mij is het worst wie ik eerst help.’
Onderdrukt gegniffel stijgt op uit de stilgevallen rij. De impasse houdt de hele zaak in een wurggreep.
Dan hakt de slager de knoop door: ‘Wie kan ik intussen helpen, tot meneer en mevrouw eruit zijn?’
Alle wachtenden haasten zich om hun naaste buur aan te wijzen als de gelukkige.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Grammers

Grammers

Gewapend met een Canon camera stropen ze mijn buurt af. Instagrammers, op zoek naar de ‘authentieke spots’ die hen via de social media door duizenden voorgangers als ‘geheimtip’ zijn aangereikt.
Ik onderdruk de neiging om ze exact te wijzen waar alle anderen zich posteerden voor die topscore aan likes. Dat zou hun ontdekkingstocht maar bederven.
Ze houden halt bij de brug met zicht op een lint van door de Unesco beschermde Amsterdamse woonboten. ‘People are actually living here’, kreet ooit een hogelijk verbaasde Amerikaanse met dik accent terwijl ze vanaf haar waterfiets ongegeneerd bij onze ark naar binnen gluurde.
Maar is dit wel echt de getipte brug? De Grammers aarzelen en vergelijken de actuele situatie met die op Instagram.
Daar geheid geen stroom fietsers die nooit lijkt op te drogen en zo de blik op het unieke watertableau ernstig belemmert. Ook gegarandeerd afwezig: de schuin op de brug geparkeerde bus, waarvoor zich gillende schooljeugd ophoudt. Of de opgebroken stoep, inclusief stratenmaker met vintage bildécolleté. De microbloggers nemen halfslachtig een foto en vervolgen hun queeste.
Later zie ik ze voor onze scheefgezakte buurtkroeg, uitgevoerd in donkerbruin mahoniehout en glas-in-lood. Hoewel het zicht op juist die historische elementen momenteel wordt belemmerd door een steigerdoek, maatje XXL.
De Grammers checken aarzelend hun smartphone.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Zaterdagavond

Zaterdagavond

Er komt een appje binnen: ‘Filmpje vanavond?’
Ik tik terug: ‘Leuk! Welke?’
Keiharde onderhandelingen volgen: de film van mijn voorkeur heeft zij al gezien. En haar favoriet heb ik gereserveerd voor een ander. Over en weer vliegen de appjes, waarin de inderhaast gemaakte typo’s tot de nodige misverstanden leiden, terwijl melige emojis onze ingenomen standpunten een zweem van meegaandheid moeten verlenen.
Nu eens blijkt de aanvangstijd een onneembare drempel, dan weer de matige recensies, de wel erg zware kost voor een zaterdagavond, of die irritant schmierende acteur. Kotsende smiley.
Als we eindelijk toe zijn aan online reserveren, blijken er enkel nog een paar losse stoelen langs de rafelranden van de zaal beschikbaar. Alleen helemaal links vooraan op luttele decimeters van het filmdoek kunnen we naast elkaar zitten. Of liever: gegarandeerd twee uur lang met hoofd en nek in een knoop hangen.
‘Het is al net als met restaurants. Voor spontaniteit is geen ruimte meer in deze stad’, klaag ik. Smiley met traan.
‘Ik kan me de tijd herinneren dat de bios ten dode was opgeschreven…’ Edvard Munchs schreeuw.
‘Je zou er bijna naar terugverlangen.’ Rollende ogen, uitgestoken tong.
‘Netflixen dan maar?’
‘Oké. Welke film?’

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Koud

Koud

‘Ik háát kou.’ De vrouw pelt de vele laagjes af waarmee ze zichzelf tegen de winter heeft geweerd, tot uiteindelijk een luchtig topje tevoorschijn komt. ‘Ik verlang zo naar de zomer.’ Ze gaat zitten.
‘Ik zie het.’ Haar tafelgenote glimlacht, intussen pogend de aandacht van de serveerster te trekken.
‘Ik word neerslachtig van de winter. Ik heb licht nodig. Zon.’
‘Ik hou juist wel van een goeie koude winterdag.’ De kouliefhebster kijkt er bijna gelukzalig bij, terwijl ze nog altijd vergeefs naar de bediende zwaait. De koukleum staart ongelovig terug, achterdochtig zelfs. Alsof haar vriendin bezig is een moord op te biechten.
‘Ja, echt. Zo’n mistige, snerpend koude dag waarop er telkens een druppel aan je neus groeit. Die je uiteindelijk maar niet meer wegveegt.’
Haar vriendin huivert nu demonstratief. Niet zozeer van de kou, want daar slaat ze zich in haar zomeroutfit wonderwel doorheen in het café waarvan de buitendeur altijd gastvrij openstaat. Maar van het idéé van kou en mist en druppels aan neuzen.
‘Als ik naar een film kijk waarin het koud is, raak ik al gedeprimeerd.’
‘Zeg het eens.’ De eindelijk met succes aangeklampte serveerster houdt haar tablet paraat.
‘Voor mij een warme chocolademelk met slagroom.’
‘En ik een ijskoffie. Zelfs van winterdrankjes word ik depri.’

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Buurvrouw

Buurvrouw

Voetje voor voetje schuifelt ze langs de muur. Haar glimmend zwarte stok zoekt voorzichtig naar houvast op de scheef aflopende stoeptegels.
‘Ik ben een aangereden slak’, klinkt het iets te luchtig.
Maar dat was ze niet altijd. De grijze uitgroei in het blond geverfde haar en de gouden veeg oogschaduw ergens op haar wenkbrauw verdringen de herinneringen aan betere tijden.
Haar normen rekt ze steeds verder op, merkt ze. Een slobberende joggingbroek, ooit een no-go, nu haar dagelijkse dracht. De kapper nog slechts een nagedachte. Net als tanden poetsen.
Ze vraagt of ik wat tassen uit haar bovenwoning naar de auto wil dragen. Tillen gaat immers niet met één hand op de stok en de andere op de muur, een lantaarnpaal, een slordig geparkeerde fiets. Maar auto rijden, dat gaat prima. En nee, daarover mag ik niks zeggen.
Ik moet wel buiten blijven wachten, om redenen die zich achter de glazen tussendeur van de woning hoog opstapelen op het eens smetteloos witte tapijt. Hoewel stapelen een systeem suggereert.
‘Gastvrijheid is my middle name’, lacht ze haar ongemak weg.
Als ze met haar rode autootje eindelijk de straat op draait en wegrijdt, steek ik aarzelend een hand op. Dan nog één. Een schietgebedje.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Spotters

Spotters

‘Spotters’ was één van mijn moeders favoriete woorden. Ze had er meer, maar spotters gebruikte ze toch het vaakst. Spotters, dat waren wij, haar kinderen, als we aan het spotten waren. Ook de mensen op TV en radio waren vaak spotters.
Gereformeerden mogen niet alleen Gods naam nooit ‘ijdel gebruiken’, ook veel andere voor niet-gereformeerden onschuldig klinkende woorden zijn verboden terrein. Je zou mijn moeder bijvoorbeeld nooit besodemieterd of belazerd horen zeggen, maar in plaats daarvan ‘belatafeld’.
Zelfs spreken over donder en bliksem, als je het had over de verschijnselen van onweer, was spotten.
De beperking dwong haar als christen tot creativiteit in verwensingen. En ik vermoed dat sommige haar eigen bedenksels waren. Een uitlaatklep voor haar levendige, maar door het strenggereformeerde geloof geknevelde, fantasie. Zo hoorde ik nooit een ander familielid poëtische scheldwoorden gebruiken als ‘schobbejak’ en ‘schandvlek der natiën’.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020