Vaderdrift

Vaderdrift

Een trendbreuk in de nestdrang van mevrouw eend. Niet de lavendelstruik met het kloeke gat, maar de bak met siergras luisterend naar de naam ‘lampenpoetser’, wordt de nieuwe kraamkamer.
Wat haar tot deze keuze bracht? Misschien overleg met de vader die de afgelopen weken trouw mee kwam bezichtigen, weliswaar op gepaste afstand. Dat ma zou hebben geleerd van rampzalige voorgaande jaren lijkt onwaarschijnlijk. Puur instinct brengt haar telkens weer naar ons vlot.
Afgezien van de broedplaatskeuze, is de routine jaar in jaar uit opvallend identiek. Van eieren is vooralsnog geen sprake. Eerst wordt aan placemaking gedaan, wat inhoudt dat de aanstaande moeder het nest een paar uur per dag inzit en inricht. Verspreidt ze zo tegelijk haar nestgeur, opdat andere kloeken zullen afdruipen? Of is het een reserveringssysteem, zolang de eieren zich nog niet aandienen? Zoals fans voor de Apple-store gaan liggen voor de nieuwste iPhone?
Al die tijd blijft vader in de buurt rondhangen. Kennelijk niet voor niets. Namelijk óók routine is de kaper op de kust. Een andere woerd die nu al vrij voorbarig eveneens het vaderschap komt opeisen. De ‘echte’ ouwe heer, herkenbaar aan de blauwe zijstreep, maakt zoals gebruikelijk hardhandig duidelijk dat hier slechts plaats is voor één vadereend.
En mevrouw? Die kijkt weg. Ook vaste prik.

Wordt vervolgd
(Zie ook: ‘Moederdrift’)

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Onbeperkt mosselen

Onbeperkt mosselen

Het meerkoetenpaar is verreweg het meest succesvol in het grootbrengen van z’n kleintjes. Terwijl moeder eend nogal eens binnen een paar dagen weer kinderloos is, hebben meneer en mevrouw meerkoet een succesformule ontwikkeld om hun grut jaarlijks te laveren langs alle gevaren in ons stukje gracht – van ratten en meeuwen tot de mens.
Niks losse Amsterdamse opvoeding. Met veel gesnater houdt het stel de kleintjes strikt in het gareel. Opvoeden moet je in hun geval ook vooral letterlijk zien. Waar eendenkuikens hun eigen kostje bij elkaar moeten zoeken, worden de hongerige keeltjes van de meerkoetpiepers de hele dag door gevuld. Wat wil je ook als het menu hoofdzakelijk bestaat uit minuscule algen die tegen het woonbotenbeton groeien.
De laatste tijd zien we de ouders regelmatig onder water duiken, om even later op te poppen met iets beduidend groters in de snavel dan de gebruikelijke algen. De kleintjes verslikken zich er bijna in.
Nieuwsgierig naar deze nieuwe voedselbron graait de man in huis onder de waterlijn en trekt iets zwarts van de woonbootromp. Een mosseltje, dat integraal door de meerkoeten wordt verorberd.
Later zien we ma eend zo’n exotische zoetwatermossel – die tegenwoordig de grachten ‘thuis’ noemt, aldus Google – in een uitsparing van onze rubberen deurmat klemmen om hem te kunnen verschalken.
Dat gaat haar pupillen nooit lukken.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Amsterdam Chips

Amsterdam Chips

Onze zomervakantie in Piemonte sluiten we spontaan af met een paar dagen Turijn. Een prachtstad vol culinaire hoogstandjes, met z’n traditionele koffietenten, aperitivo-barretjes en streekgerechten als bagna cauda.
Mijn lijst met adressen wordt allengs langer. Als we maar genoeg tijd hebben om alles te proeven. Na een route te hebben uitgestippeld, verlaten we met een gezonde trek ons hotel voor de ultieme culinaire rooftocht.
Er is geen mens op straat.
Nu zijn we ook erg vroeg, maar de authentieke koffiebarretjes lopen vast snel vol. Adres na adres doen we aan. Om telkens een gesloten deur te treffen. De hele stad ligt op z’n gat, alsof iedereen is gevlucht.
Wat is hier aan de hand?
Over een paar dagen is het 15 augustus, Ferragosto, de nationale feestdag waarop Italianen massaal de stad verlaten voor een landelijke picknick.
Volop hoogseizoen en een hele week niets aan toeristen willen verdienen? Welkom in Italië.
Dikke strepen gaan er door mijn lijst. De trek knaagt nu zo dat we onze standaard voortdurend bijstellen. De absolute ondergrens ligt bij de Amerikaanse fastfoodketens die vanzelfsprekend wel zaken doen.
Net als we alle hoop hebben opgegeven, zien we verderop een lange rij. Verwachtingsvol haasten we ons erheen. De wachtenden blijken zich te verzamelen voor een originale Olandese friettent, met patat in een puntzak. ‘Amsterdam Chips’ is de naam.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Iets te roken

Iets te roken

Aan de bar ergens in de hotelbuurt reken ik mijn filterkoffie af als een vrouw binnenstapt, type toerist. Haar reisgenote blijft buiten wachten, zie ik door het kamerhoge raam. Staat zij te giechelen?
Met Amerikaanse tongval vraagt de vrouw of ze hier kan roken. De barista wijst op het “verboden te roken”-bordje.
Niet voor één gat gevangen, bedient de Amerikaanse zich van het internationale gebaar voor roken als ze haar vraag herformuleert. Of ze hier iets te roken kan krijgen. Helaas, de barvrouw rookt niet.
De toeriste legt uit dat de portier van haar hotel dit adres had opgegeven om… Opnieuw het rookgebaar. De serveerster stoïcijns: ‘Dan moet u naar een tabakszaak.’ Maar de Amerikaanse wil geen sigaretten.
‘De portier zei dat ik hier… hash kon kopen?’ De toeriste fluistert nu. Vol verwachting gluurt haar reisgenote door het raam naar binnen.
‘Dit is een koffiebar, geen koffieshop. Ik verkoop koffie.’
De vrouw geeft het idee om eens in haar leven een joint op te steken nog niet op. Waar kan dat dan wel? Ze kijkt nu ook mij rechtstreeks aan, alsof elke Amsterdammer koffieshops frequenteert.
‘Ik blow niet’, reageer ik schouderophalend. ‘Dat is voor toeristen.’ De reizigster druipt geslagen af.
Eenmaal buiten passeer ik twee deuren verder de door de hotelportier getipte koffieshop.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Mokums

Mokums

Als er een bootje langszij komt varen, weet je meestal hoe laat het is. Negen van de tien keer is dan de vraag of we een kurkentrekker te leen hebben.
Varende picknickers zijn schering en inslag op de grachten. Vooral toeristen en expats maken er werk van met luxe hapjes en wijn in echte glazen.
Veel van de lokalen in reddingssloepen met geluidsinstallaties die wedijveren met Ziggodome komen niet verder dan opengescheurde zakken chips en een krat bier. Die houden hooguit precies voor ons vlot een ver-piscontest, broek op de knieën, pijpje bier in de ene en het wedstrijdelement in de andere hand.
Over drijvende vrijgezellenparty’s maar gezwegen.
Dit bootje wil geen flessenopener. Ook al varen ze langzaam, de opvarenden hebben haast. ‘Snel!’ roepen ze me in het Engels toe. ‘Wat is het Amsterdamse woord voor deze stad?’
‘Mokum’, roep ik gehaast terug alsof ik onder schot word gehouden.
Ze tikken het woord in op hun smartphone. ‘Yes!’ Duimen omhoog.
Na een paar voorvallen weet ik: ze spelen ‘30 seconds’, kennelijk een speciale Amsterdam-editie. Ik heb ook al het Amsterdamse woord voor jenever moeten oplepelen (jajem; het spellen was nog even een gedoe) en voor eend (drijfseis; idem).
Misschien moet ik naast de kurkentrekker een Mokums woordenboek op het vlot klaarleggen.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

FOMO*

FOMO*

In het smalle steegje dat uitgeeft op het Spui staat een lange rij mensen keurig achter elkaar opgesteld dicht tegen de vuilgele wand met ouderwetsche muurreclame aan. Het is een gedisciplineerde rij achter een premièrehekje. En dat alleen is al een ongewoon gezicht in deze stad, waar stoplichten een meerkeuzevraag zijn.
Hier vormen dan ook geen Amsterdammers de colonne, maar toeristen met camera’s en een air meer in the know te zijn dan de langslopende citytrippers die, opgehitst door het rijaanzicht, elkaar vol FOMO aankijken. Wat missen zij hier? ‘It’s a bakery!’ roept een Engelsman verbijsterd uit als hij één plus één heeft opgeteld.
Die rekensom behelst maar liefst twee doorbitches in speciale uniformen van beige capejas en zwart hoofddeksel bij de zaak waar alle soesa om draait: een koekjesbakker met slechts één zelfverzonnen koekje op het repertoire.
Voor de winkeldeur staat een bord met daarop de gedragsregels. Want dat komt nauw in een smalle doorgangssteeg. Of dat nog niet afdoende is, wordt de procedure secuur gestroomlijnd door de deurwachters die hun orders rechtstreeks via een oortje binnenkrijgen, alsof ze de Koning zelf bewaken. Zodra iemand met een bruine papieren zak het pand verlaat, wijzen zij de volgende uitverkorene aan die mag oversteken om het koekjesparadijs te betreden.
Scheldend banen plaatselijke fietsers zich een weg langs het on-Amsterdamse tafereel.

* FOMO: Fear of Missing Out

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

De vind-app

De vind-app

Er staan twee politieagenten op de stoep. Dan schrik je toch altijd even.
Ze vallen meteen met de deur in huis. Ze hebben een aangifte van diefstal van een iPhone en volgens de app ‘Find My iPhone’ bevindt het gestolen exemplaar zich op onze woonboot.
Fijne binnenkomer.
Wat zeg je dan in zo’n situatie? ‘Hij is hier niet.’
De agenten zijn er zelf ook verlegen mee, maar de vind-app liegt niet. Dit is de plek.
Of wij soms huisgenoten hebben die wellicht per ongeluk in het bezit zijn van de telefoon? Nee, dus.
Wij stellen voor op straat te zoeken. Vanwege de nabijheid van nogal wat uitgaansgelegenheden vinden we tussen de planten geregeld gestolen tassen, jassen en portemonnees, waar de waardevolle spullen uit zijn gehaald. De verworpen items geven wij altijd netjes bij het dichtstbijzijnde politiebureau af. Dat van hun.
Maar in de bosjes hadden ze al gekeken. En volgens de app ligt het apparaat niet daar, maar hier.
Wij kunnen niet anders dan adviseren toch verder te zoeken, want dit is een doodlopende weg. Of wilden ze soms huiszoeking doen?
De agenten vertrekken, om even later weer aan te kloppen. Ze hebben de smartphone gevonden: hij lag – waarschijnlijk weggesmeten – in het water pal tegen onze woonboot.
‘De vind-app werkt dus prima’, oordelen ze.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Pissen

Pissen

Helemaal vooraan tegen het podium sta ik. Op armlengte afstand zingt Patti Smith, mijn rockheldin sinds m’n tienerjaren. Op haar 73ste nog even onconventioneel als op haar allereerste single Piss factory.
Schijt heeft Patti Smith nog altijd aan iedereen. Zo verraadt niet alleen haar luie, zeg maar gerust brutale, stem. Maar ook de van goede vriendin Ann Demeulemeester gekregen edelpunkoutfit. Die – zo weet ik van Patti’s Instagram-account – op tournee gewoon in de wasbak van de hotelkamer in een sopje gaat.
De ‘Godin van de punk’ blijkt in haar eigenzinnige en hyperpersoonlijke Instagram-posts trouwens allesbehalve schijt te hebben aan de wereld. Integendeel, ze is betrokken en geëngageerd. En schopt onverminderd met haar designerkistjes tegen de schenen van corrupte mogendheden.
Maar nu lacht Patti verlegen, met dat scheve gebit en die rafelige grijze vlechten, als een klein meisje dat voor het eerst tussen de schuifdeuren optreedt.
Het publiek is betoverd. Of ze nu een gedicht voorleest, net nog op de hotelkamer in haar zwarte boekje opgekrabbeld, of haar fans er met opgeheven vinger aan herinnert dat People have the power.
Dan ineens moet Patti naar de wc. Heel nodig. En ze heeft er schijt aan. Ze gáát gewoon, zaal en band in geamuseerde verwondering achterlatend.
Terug op het podium zet ze Pissing in a river in.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

‘Hi’

‘Hi’

‘Hi, hoe is het met je?’
Ik trek alle laatjes in m’n hersenen open, maar nergens informatie over degene die mij zo enthousiast tegemoet komt lopen.
Daar geeft ze me al een ferme hand, begeleid door een brede glimlach.
‘Goed’, antwoord ik onzeker. ‘En met jou?’
‘Iets beter gelukkig.’
Ik graaf en graaf: niks. En ik moet nu toch echt reageren op deze informatie. Verder dan een echoënd ‘gelukkig’ kom ik niet. Wie is dit in Godsnaam?
‘We zijn er nog steeds niet helemaal, maar ja, het was ook niet niks wat er allemaal gebeurd is.’
“We”, zegt ze. Er is sprake van een “we”. En het andere deel van die “we” moet ik óók kennen. Bovendien is het niet niks wat er is gebeurd. Hoe kan het dat ik dat kwijt ben?
‘Wanneer zagen wij elkaar nu voor het laatst?’ vis ik, in de hoop op een aanwijzing. Want ook de gelegenheid, een boeklancering in Scheltema, biedt geen aanknopingspunt.
‘Vlak voordat het gebeurde.’
‘Help!’, denk ik. Maar ik zeg: ‘Ach ja…’ Ik kijk er zo meelevend mogelijk bij.
Zij, plotse straffe blik: ‘Je hebt geen idee, hè?’
Mijn paniek moet zo zichtbaar zijn, en anders mijn karmozijn gekleurde wangen wel, dat ontsnappen niet meer mogelijk is.
‘Sorry.’
Dan verschiet ze zelf: ‘Jij bent toch Irene?’

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Sensei

Sensei

Deze yogales heeft een van de leerlingen een introducé meegenomen. Nu haakt er wel vaker iemand aan die zelf aan den lijve wil ervaren hoe meesterlijk onze Iyengar yogajuf is.
Maar deze gast is duidelijk van een andere categorie. De oudere man blijkt een torenhoge leermeester in Martial Arts. Een speciaal vanuit Japan ingevlogen sensei om in onze stad een stel examens te komen afnemen.
De illustere Japanse meester is als Alice die in het konijnenhol valt. Gewend aan een dojo bedekt met dikke matten, komen onze yogamatjes hem wonderlijk dun over. En wat gaan we doen met al die kussens, riemen en blokken? Om maar te zwijgen van de aan de muur genagelde touwen. Lachend steekt hij zijn hoofd door één ervan, bij wijze van strop.
Een aanzet tot een clash of cultures? Integendeel, wat volgt is een wederzijds respectvolle ontmoeting tussen een vechtmeester en een ontspanningsmeesteres. Terwijl zij zijn houding preciseert, spreekt ze hem eerbiedig aan met ‘Sensei’. En hij toont zich een even buigzame als leergierige leerling.
Ter afsluiting groet de juf ons allen persoonlijk op de gebruikelijke wijze. Een lichte buiging, de handen tegen elkaar, vingers omhoog: ‘namasté’.
Sensei reageert met een diepe buiging naar zijn meesteres, begeleid door ‘domo arigato gozaimashita’, de bekende dankbetuiging na iedere Martial Arts-les.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Audiëntie

Audiëntie

Hij zit er weer. Zoals elke dag. Ook toen, tijdens die zware storm. In de loop van de ochtend – je kunt je klok erop gelijk zetten – installeert hij zich op het bankje aan de overkant van het water. Zíjn bankje inmiddels.
Zo’n vertrouwd gezicht is hij de afgelopen maanden geworden, dat ik ongerust ben als hij er niet zit, met die oranje hoodie getrokken tot ver over zijn wilde bruine haren en baard.
Hij houdt zich aan een vaste dagroutine. Die begint staande naast het bankje met iets wat het meest lijkt op tai chi-oefeningen. Maar soms ook schijnen de armbewegingen onderdeel van een vurige donderpreek, als van een old-school dominee.
Daarna zit hij op zijn bankje urenlang te converseren, alsof hij audiëntie houdt in zijn salon. Thee en biscuitjes zijn geserveerd, de conversatie is levendig en gaat ver voorbij de gebruikelijke koetjes en kalfjes. Er wordt gelachen, er valt af en toe een scheldwoord, maar dat is niet gemeend. Het belichaamt passie, een mening, ergens voor staan. En ja, dan kan het er soms wat heftig aan toe gaan.
Zelfs zonder zichtbare gasten.
Tegen het einde van de middag is het tijd om de salon te sluiten, het bankje te verlaten. Tot de volgende ochtend het ritueel opnieuw begint.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Zwanenzang

Zwanenzang

Trots kwamen ze hun acht jongen showen, het zwanenpaar dat elkaar eeuwige trouw had beloofd. Want is dat niet wat zwanen doen, altijd samenblijven?
Daarna kwamen ze regelmatig langs op gezinsuitjes. Het statige spierwitte ouderpaar voorop, de grijsbruine pubers rumoerig erachteraan. Toen het kouder werd, tikte pa of ma ongeduldig met de feloranje snavel op ons raam als was het een snelloket. Waarna er prompt oud brood door het venster vloog richting het jong geluk.
Maar deze ochtend zie ik er maar één zwemmen. Hoewel ‘zwemmen’ niet het goede woord is. De zwaan drijft als een geest over het water en blikt niet op of om.
Een van de jongeren, vermoed ik eerst, vanwege de bruinige verentooi. Mogelijk te ver achterop geraakt.
Bij nader inzien meer waarschijnlijk een van de ouders – de oranje snavel uitgebleekt, de veren niet pubergrijs maar aangekoekt met vuil.
De zwaan komt nauwelijks vooruit. Hongerig? Snel werp ik wat brood. Nog voor de korst het water raakt, gaat een uit het niets opduikende zwerm meeuwentuig ermee vandoor. Het ontbreekt de grachtenkeizer aan kracht of eetlust om zelfs maar één toegeworpen stuk te vangen.
Paniekerig eis ik duidelijkheid. Waarom eet je niks? Waar is je familie? Jullie zouden toch altijd samenblijven?!
Met het laatste restje statigheid glijdt de zwaan bewegingloos mijn blikveld uit.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Op Bakkum

Op Bakkum

We hebben een verjaardag op ‘Bakkum’, de camping die ook wel ‘klein-Amsterdam’ heet vanwege hele Mokumse schooljaargangen die daar ’s zomers naast elkaar neerstrijken.
Voordat we aan wijn uit een pak gaan, waaien we uit in de nabijgelegen duinen.
Weer terug op vlakker achterland met hier en daar plukjes oerrunderen, worden we aangesproken door een vrouw. Of we misschien weten waar een zeker bankje staat. Het moet hier ergens zijn. Toch kunnen ze het niet vinden, zij en haar gezelschap.
Wij hebben geen idee en willen alweer doorlopen.
Maar iets in de vrouw houdt ons tegen. Het bankje speelde een belangrijke rol in het leven van haar zoon, begint ze te vertellen. Dat wil zeggen, in zijn laatste maanden toen bleek dat hij uitgezaaide kanker had. Hij zat er vaak om zich door de natuur te laten troosten.
Helaas wist destijds helemaal niemand hiervan. Een ondraaglijke gedachte. En daarom zoeken zij nu het bankje – de moeder, vader en weduwe van de zoon.
We helpen zoeken, halen Google Maps erbij, googlen op de naam van het bankje. Niets.
Haar familie wil verdergaan. Zoniet de vrouw. Het bankje dat hier móet staan, is de laatste lijn naar haar verloren zoon. Liefdevol leiden de twee haar weg.
Even later schuiven wij bedrukt op de bierbank op Bakkum aan.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020



Moederdrift

Moederdrift

Ze zijn vroeg dit jaar. Mevrouw en meneer eend. Hoewel ik aarzel of meneer wel dezelfde is. Maar mevrouw keert hier jaarlijks terug in de moederschoot. Ons vlot.
De roep van de natuur klinkt elke lente identiek: de ouders-in-spe komen gezamenlijk aanzwemmen, waarna hij op gepaste afstand blijft, zoals een echtgenoot die met zijn vrouw mee moet om een jurk te passen.
Zij vliegt de eerste keer het vlot op om de actuele situatie in kaart te brengen. De keren daarop herhaalt zich het pashokritueel, tot mevrouw eindelijk het beoogde nest gaat inzitten. Ik vraag me altijd af of ze tussendoor ook nog andere opties langsgaan.
Jaar in jaar uit valt de keuze op onze plantenbak met lavendelstruik. Inmiddels heb ik er vrede mee dat het gat ter grootte van een moederkloek nooit meer zal dichtgroeien. Immers, de ideale kraamkamer voor – zoals vorige lente – twaalf pulletjes.
Maar ik weet wat moeder alweer lang vergeten is: dat de bak weliswaar een strategisch bastion is ten opzichte van potentiële vijanden, maar voor pasgeborenen een onneembare drempel naar het water eronder.
Mij staat het nog vlijmscherp op het netvlies. Moeder die panikeerde, de kleintjes die de horde niet konden nemen ondanks het door ons aangelegde glijbaantje, ik die probeerde te helpen maar werd weggeblazen door ma…
De natuur is wreed. Maar daar wil ik nu nog niet aan denken.

Wordt vervolgd

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020

Kamer vrij?

Kamer vrij?

Die avond wordt er rond elf uur op de deur geklopt.
De man in huis doet open voor een trendy type, mobieltje in haar hand. Met een pront Londens accent vraagt ze of er een kamer vrij is. Pas dan ziet hij de Samsonite rolkoffer naast haar geparkeerd op ons ponton.
Inmiddels gewend dat toeristen nogal eens moeite hebben hun Airbnb-logeeradres te lokaliseren, wijst hij geroutineerd naar de overkant, de kade waar veel huiseigenaren tegenwoordig aan short stay kamerverhuur doen.
Hij wil de deur alweer dichtdoen, als de Londense laat weten niet daar maar hier, op onze woonboot, een slaapplek te ambiëren. Zelfs Airbnb is namelijk onbetaalbaar geworden.
Daarin blijft ze volharden, hoezeer haar ook wordt duidelijk gemaakt dat dit er niet in zit. En dat het bovendien onverstandig is op willekeurige deuren te kloppen voor onderdak.
De Britse wordt ongeduldig. Een klein kamertje is alles wat ze nodig heeft. Voor een nacht of twee, om de stad te verkennen. Is dat zo moeilijk?
Het wil er bij haar maar niet in dat wij a) in tegenstelling tot veel andere stadsbewoners geen interesse hebben in deze snelle bijverdienste en b) vooral ook geen kamer over hebben.
Met een ‘fuck you!’ in authentiek cockney sleurt de vrouw tenslotte haar rolkoffer de kade weer op, de duisternis in.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020