Marjan Ippel

We moeten hier weg II: Roerend Goed

‘Jullie moeten hier weg, hè?’
De zoveelste kadebuur die me aanklampt naar aanleiding van De Brief die ook op de wal voor opschudding zorgt.
‘Jullie komen toch wel weer terug?’
En dat is de standaard bezorgde reactie. Wij vormen een hechte buurt. Van de drijvende, zowel als de vaste kant. Met als jaarlijks hoogtepunt het kadefeest inclusief sjoelbak, partytent en culinaire huisvlijt.
De buurt die samen onze 80-jarige buurvrouw door lockdown I loodste met boodschappen, anderhalvemetervrijmibo’s en pannetjes eten. De buurt ook die haar de laatste groet bracht op háár kade.
Van die kade vormen onze arken een onlosmakelijk deel, ook al heten ze officieel ‘drijvende bouwwerken’ en volgens hypotheekbanken zelfs ‘roerend’ in plaats van ‘onroerend goed’. Wat in bancaire termen zoveel betekent als: vogelvrij.
Nog tot diep in de vorige eeuw vielen woonbootbewoners onder de Wet Woonwagens en Woonschepen, in 1918 aangenomen “om de ‘gewone’ bevolking te beschermen en de openbare orde te handhaven”.*
Woonbootkinderen zouden onder die wet niet welkom zijn geweest op buurtscholen, maar naar de schippersschool zijn verwezen.
En ergens jaren nul van deze eeuw bedacht een wethouder dat ons drijvende rijtje een nautisch knelpunt vormde en daarom subiet onze buurt en zelfs ons stadsdeel uit gedreven zou moeten worden.
Zo formuleert elk nieuw gemeentebestuur een eigen unieke visie op wonen op het water. Nu eens vormen we een karakteristiek stadsbeeld of dé oplossing voor het woningtekort, dan weer zijn we vooral obstakels voor uitzicht en verkoopwaarde van de kapitale kadepanden.
Daar zijn we aan gewend.
Maar als mijn Cees me er de afgelopen decennia op wees dat onze ark nu eenmaal niet zoals de rest van Amsterdam is gebouwd op palen en er dus een moment kan komen dat onze woondroom uiteenspat, vond ik hem een zwartkijker.
Tot nu. Tot De Brief. De Brief die meer vragen oproept dan beantwoordt. Want: we komen toch wel weer terug?
* Zie Afschaffing van de wet op woonwagens en woonschepen.
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 2 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al meer dan twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

© Marjan Ippel

We moeten hier weg I: De Brief

Het onheil besloop ons als een kat. Behoedzaam, schijnbaar onbeweeglijk. Onwaarneembaar voor wie niet weet.
Het eerste teken dat er ‘iets’ stond te gebeuren, was het onaangekondigd verschijnen van lukraak geplaatste betonnen plantenbakken op de kade waar kort daarvoor nog auto’s geparkeerd hadden gestaan.
Niet veel later laadden mannen in oranje hesjes vrijwel dagelijks hun driepotige meetapparatuur uit een busje voor een werkdag vol onduidelijke handelingen. Tenminste, voor mij. Bijvoorbeeld: een van de twee staand op de brug, handgebaren uitwisselend met de ander op de wal, als leden van een geheim genootschap.
Na hun bezoek stonden er steevast nieuwe getallen (5401, 6952) met witte verf op de stoep geklad. Soms begeleid door een ferme pijl. Soms ook door een forse stip of cirkel. Aan de buitenmuren van de woonpanden verschenen fluokleurige schietschijfjes en spiegelende objectjes gefacetteerd als de ogen van een vlieg. Bij tijden waren die plots ook weer verdwenen of verplaatst.
Op het dieptepunt van de coronacijfers arriveerden de oranje hesjes ’s morgens vroeg in een personenauto met omgekeerd op het dak een minuscule roeiboot in matching kleur die in luttele seconden in het water lag. Ze pasten er net samen in, de oranje hesjes, de knieën bijna in hun nek. Zo begon een minutieuze roeitocht rond onze woonboten. Ze haalden monsters uit het water. Of stopten die er juist in. Geen idee. Hun antwoorden op onze nieuwsgierige vragen brachten ons niets verder.
Echt serieus werd het toen een Kuifje-achtig duikpak aan een lange rubberen navelstreng als het monster van Loch Ness opdook naast het keukenraam – de apotheose van zich verplaatsende slierten luchtbelletjes, alsof een school vissen dicht onder het wateroppervlak een polonaise deed.
En toen op een dag gleed De Brief door de brievenbus: ‘Tijdelijke verplaatsing woonarken’.
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 1 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al meer dan twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.