We moeten hier weg X: De Jacobsladder

We moeten hier weg X: De Jacobsladder

Eens in de pakweg twintig jaar moet ons stukje gracht worden uitgebaggerd. Al het jarenlang opgehoopte slib wordt dan verwijderd om de waterweg bevaarbaar te houden.
Omdat de blubber zich tegen de kades ophoopt, moeten de woonboten voor een dag of wat opzij om bij de randen te kunnen.
Ook de woonark van Eddy, musicus en mijn latere buurman.
Zomer 1989. Een paar jaar eerder heeft Eddy via een advertentie in De Telegraaf een oud arkje gekocht op voorspraak van zijn Canadese oom. Oom die timmerman is schatte het opknapwerk in als “plankje hier, plankje daar”. Maar toen oom alweer lang en breed terug op Canadese bodem was, bleek het toch wat meer dan wat plankjes hier en daar.
Maar als musicus die dagelijks uren repeteert is Eddy blij met zijn vrij liggende huis.
Het is een zonnige dag als Waternet de woonboten een voor een wegsleept voor een tijdelijk kampement aan een kade verderop.
Het wordt een hele uittocht.
Alsof je op vakantie gaat en je huis én straat meeneemt. Zelfs de plastic tuinstoelen en plantenpotten op het vlot van buurvrouw Judith blijven tijdens de verplaatsing gewoon staan. Zo zitten de bootburen eerste rang bij dit drijvende spektakel, camera in de hand.
Ook voor de mannen van Waternet is het een uitje. De sfeer is gemoedelijk en informeel. De koffie gaat rond.
Niks dichtgetimmerde contracten met calamiteitsclausules, niks verzekeringen, niks ambtelijke en juridische kretologie, niks verantwoordelijkheden doorschuiven van de ene instantie naar de andere.
En ook geen tijdelijke voorzieningen.
Het is letterlijk vrij kamperen zonder water, gas of verlichting. Eddy moet zelfs flink klauteren om überhaupt vanaf zijn tijdelijke ligplek aan de kant te komen, want ook in een impromptu steiger is niet voorzien.
Kortom: een groot avontuur.
Als de woonboten zijn verlegd, de gracht leeg is, kan het baggeren beginnen. Dat gebeurt met een Jacobsladder, een drijvende bak met daarop een diagonale lopende band waaraan vrij hangende emmers via een rondgaande beweging de modder uit de gracht oplepelen en in de bak gieten.
Na een kleine week worden de woonschepen teruggelegd en dartelen de toonladders als vanouds uit Eddy’s ark over het water.
Tekst: © Marjan Ippel, 2021 | Beeld: © Eddy Janning, 2021

Dit is column 10 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

Leven in lockdown XXIX: De stille revolutie

Leven in lockdown XXIX: De stille revolutie

Afgezien van het anderhalvemeterslalommen om stugge niet-uitwijkers heen, het buiten wachten in lange rijen voor de groenteboer terwijl er maar één klant binnen is, de vergrendelde horeca waarvan de ramen in verf, plakletters of schoolkrijt ‘Nu Takeaway!’ schreeuwen, de drommen maaltijdbezorgfietsen die ’s avonds de straten overnemen, de afwezigheid van vliegverkeer, en nu al bijna acht weken achtereen bij zondersondergang de intrigerende roze gordel van Venus aan de horizon, is de nacht misschien wel het meest opvallend aan deze tijd.
Stille nacht, elke nacht.
Hier aan de rand van het uitgaanscentrum liep vaak genoeg de woensdagnacht al warm voor het weekend. Lekker een avondje stappen, heette het. In werkelijkheid leek het bij vlagen eerder of de revolutie was uitgebroken. Niks gezelligheid kent geen tijd. Het was vooral hufterigheid die geen tijd kende. Stappers die onder invloed ruziënd, schreeuwend, dierlijk jankend en soms vechtend over straat gingen. Bedwelmde stelletjes die op het bankje aan de overkant van het water als wolven de verwijten tegen elkaar in huilden. Grapjassen die op zwoele zomernachten grachtenfietsen jatten en ermee hard joelend langs ons slaapkamerraam scheerden. Hoe vaak werd ik niet middenin de nacht wakker hiervan?
Nu schrik ik wakker van de stilte. En klinkt het vogelgekwetter bij het ochtendgloren oorverdovend luid.
De revolutie is uitgebroken. Maar hij is muisstil.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2020