We moeten hier weg VI: Stukje Historie 1

We moeten hier weg VI: Stukje Historie 1

Ook al zien gemeenteambtenaren ze nog altijd liever gaan dan komen (of blijven), het is niet meer zo erg als begin twintigste eeuw toen woonbootbewoners een “maatschappelijk euvel” heetten, beschonken landlopers die de brave burgers belaagden en moesten worden aangepakt en opgepakt.
Het is 1903 als Prof. Mr. Jacob Domela Nieuwenhuis, telg uit het beroemde domineesgeslacht, de opdracht krijgt tot vorming van de ‘Staatscommissie inzake Bedelarij en Landlooperij, Woonwagens en Woonschepen, Habitueele Dronkenschap’, ter voorbereiding van een wet die het maatschappelijk euvel bij de wortel moet uitroeien.*1
Vier jaar later zoeken Jacob & co. nog altijd vergeefs naar harde bewijzen voor het algemeen heersende negatieve beeld van bootbewoners. Er wordt dan niet geconcludeerd dat de wet overbodig is.
Nee, in 1911 gaat het onderzoek gewoon in de herhaling. Dit keer met een focus op leefomstandigheden in vierkante meters, overdracht besmettelijke ziektes, inkomen, naleving van de wet op de leerplicht en bovenal: drankgebruik.
Conclusie? Opnieuw geen hard bewijs.
In plaats van blij te zijn, bedenkt de staatscommissie dat de lokale Bromsnorren vanwege de beweeglijkheid van de onderzoeksobjecten, die nu eenmaal trekken van hot naar haar, geen goed beeld hebben kunnen krijgen van vooral die notoire drankzucht. *2
En dus komt de Wet op de Woonwagens en Woonschepen er op 26 juli 1918 gewoon zoals gepland.
Na vijftien jaar kan er eindelijk geproost worden op deze superhandige registratietool.
Hoewel? Elke waterrijke gemeente kan vanwege deze landelijke wet ineens geen woonschepen meer binnen haar grenzen weren. En dus worden vooral in de grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Groningen massaal ligplaatsen aangevraagd. Vanwege de torenhoge woningnood worden deze verzoeken knarsetandend ingewilligd. De volgende tien jaar stijgt het aantal woonschepen explosief.
Oeps.
De wet heeft zich als een boemerang gekeerd tegen de gemeentes en hun wens drijvende burgers te verdrijven.
Toch maken de ambtenaren zich ook weer niet echt zorgen. Immers, wonen op een schip is vanwege de woningnood een tijdelijk verschijnsel dat vanzelf verdwijnt zodra er voldoende heipalen de grond in zijn gestampt voor nieuwe woonwijken.
Wordt vervolgd…
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

*1 Zie De Wet Woonwagens en Woonschepen van 1918.
*2 Bromsnor is de plaatselijke politieagent die altijd jaagt op Swiebertje, de landloper in de naar hem genoemde serie uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw.

Dit is column 6 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

© Marjan Ippel

We moeten hier weg V: Het bed

‘s Morgens steekt er een getypt briefje uit de brievenbus: “Als u ooit deze woonboot wilt verkopen, neem dan a.u.b. contact met mij op!” (plus telefoonnummer)
Het is niet het eerste en waarschijnlijk ook niet het laatste bericht met die strekking dat bij ons op de deurmat belandt. Soms ook wordt er aangeklopt met de vraag of we willen verkopen. (Nee)
De gemeentelijke en overheidsinstanties mogen de woonbootdossiers de afgelopen decennia als een hete aardappel naar elkaar hebben doorgespeeld – met als gevolg dat een deel is zoekgeraakt, zoals gemeenteambtenaar 2 laatst tijdens onze Zoom-sessie doodleuk vertelde – heel wat Amsterdammers dromen van een leven op het water.
En de gemiddelde toerist van een nacht op de gracht.
Later op die avond wordt er op de deur geklopt door een jonge vrouw, mobieltje in haar hand. De boot kopen wil ze niet. In plaats daarvan vraagt ze met een fors Londens accent of er een kamer vrij is. Pas dan ontwaart Cees, die op dit late uur opendeed, de gigantische roze rolkoffer naast haar op ons ponton.
Inmiddels gewend dat toeristen nogal eens moeite hebben hun online geboekte logeeradres te lokaliseren, wijst hij geroutineerd naar de overkant, de kade met een overvloed aan short stay-opties.
Case closed.
Maar niet voor de Londense die haar zinnen heeft gezet op slapen op een woonboot.
Onze woonboot.
Ze wijkt geen centimeter, hoezeer haar ook wordt duidelijk gemaakt dat het er niet in zit. En dat het bovendien onverstandig is om ’s avonds laat op willekeurige deuren te kloppen voor onderdak.
De Britse wordt ongeduldig. Een bed wil ze. Voor een nacht of twee. Hier. Wat valt daar niet aan te begrijpen?
Dat het hier geen hotel is, daar wil ze nog wel aan, maar “so what?”.
Na een “fuck you!” in authentiek cockney sleurt de toerist de roze rolkoffer de kade weer op, de duisternis in.
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 5 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

© Marjan Ippel

We moeten hier weg IV: De Tafel

Voor de eerste Zoom-sessie met de gemeente installeren we ons samen met de linker buurman aan onze tafel. Geen designy exemplaar, maar een afgeleefd ding vol sporen van ons dagelijkse woonbootleven.
De tafel die tijdens Covid zoveel méér werd dan eettafel alleen. Die stilletjesaan onze wereld werd, het centrum van onze lockdownactiviteiten. Waaraan we boodschappen deden, naar de bios of uit eten gingen, musea en concerten bezochten. En dat terwijl ons woon-werkverkeer zich beperkte tot het forenzen van de ene tafelhoek naar de andere.
Aan die tafel worden nu ook de eerste stappen gezet voor de Grote Waterverplaatsing. Na een voorstelrondje (“Mijn naam is Marjan en ik ben woonbootbewoner”) pakt gemeenteambtenaar 1 uit met een slideshow over het hoe, wat en waarom van de aankomende kadevernieuwing.
Bijna als een voetnoot verschijnt een getekende impressie van de huidige kadesituatie. Nu weten zelfs buitenlandse media dat Amsterdam die grote stad is gebouwd op palen – zoals ze gretig citeren uit het oude kinderliedje. Maar ben ik de enige die dacht dat daarmee uitsluitend de huizen en gebouwen werden bedoeld?
Werd ik op het verkeerde been gezet door de heimachines die in mijn jeugd met alle geweld houten palen de grond in ramden voor weer een nieuw woonblok? De complete stad, inclusief de 600 kilometer aan kades, blijkt door zulke palen te worden gedragen. Of liever, door een immense houten tafel.
Met weliswaar duizenden poten. Maar toch, een tafel.
En die tafel is flink afgeragd van al het leven dat er bovenop krioelt. Hij is aan het wiebelen. En daar helpt geen bierviltje meer tegen. Je ziet het tijdens koffieloopjes door de stad: vuistdikke scheuren in de kadewanden, muren die naar buiten hellen, bomen die zich tussen de bakstenen door wrikken om zich als een prediker met gespreide armen op te richten naar de hemel.
Maar dat blijkt dus het topje van de ijsberg.
Er volgen meer dia’s. Over hoe beton het hout gaat vervangen, bijvoorbeeld.
Maar voor mijn ogen zweeft dat ene beeld van de tafel die onze stad draagt. Waarop ons dagelijks leven, onze wereld zich afspeelt.
Tekst: © Marjan Ippel, 2021 | Beeld: Gemeente Amsterdam

Dit is column 4 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

© Marjan Ippel

We moeten hier weg III: De boomklever

Vanmorgen landde een boomklever op de tafel van ons moesvlot. Nieuwsgierig tuurde ze bij onze woonboot naar binnen, het kopje schuin.
Wij liggen precies onder de aanvliegroute van een groeiend aantal vogelsoorten, maar deze boomklever maakte vandaag haar debuut op het vlot.
Haar nieuwsgierigheid bracht de herinnering naar boven aan die Amerikaanse toerist die haar handen tegen ons keukenraam tot een kijker had gevormd. Staand op de zitting van haar canalbike begluurde ze me onbeschaamd, om tegen haar duopassagier uit te roepen: ‘Oh My God, hier leven echt mensen!’ (maar dan in het Amerikaans)
Goddank moesten smartphones nog worden uitgevonden.
En zo kwamen meer herinneringen aangevlogen. Van dat Franse gezin dat op een zomerzondagochtend aanklopte en vroeg of hier iemand woonde. Ze konden zich niet voorstellen hoe dat gaat, wonen op het water. Hadden we bijvoorbeeld wel verwarming? Een douche? En hoe ging dat met “pipi” en “caca”?
Zoekend naar mijn camera om de boomklever vast te leggen, dacht ik aan het Thaise tijdschrift met daarin een reisverslag over Amsterdam, ooit meegebracht door een in Bangkok wonende vriend. Op een van de foto’s had hij onze woonark herkend. Het bijschrift: ‘Zo wonen de mensen in Amsterdam: in drijvende hutten op het water.’ Of iets van die strekking. Ik moest het doen met zijn vertaling vanuit het Thais.
En dan die modefotograaf uit Moskou. Na een locatiescouting door de stad wilde hij perse op ons vlot een reportage schieten voor een Russisch modetijdschrift. Ook al stonden zijn meterslange modellen allesbehalve te springen om met hun al even metershoge hakken op een schommelend oppervlak te moeten balanceren.
Zou die boomklever zich nou óók afvragen of hier mensen wonen? Met de camera in de hand vroeg ik het me plots af. En hoe dat dan gaat met “pipi” en “caca”? (Nâh, dat niet)
Maar ze was al gevlogen.
Nog lang bleven mijn vragen in de lucht hangen.
Hoe je blijft kleven, bijvoorbeeld.
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 3 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

Marjan Ippel

We moeten hier weg II: Roerend Goed

‘Jullie moeten hier weg, hè?’
De zoveelste kadebuur die me aanklampt naar aanleiding van De Brief die ook op de wal voor opschudding zorgt.
‘Jullie komen toch wel weer terug?’
En dat is de standaard bezorgde reactie. Wij vormen een hechte buurt. Van de drijvende, zowel als de vaste kant. Met als jaarlijks hoogtepunt het kadefeest inclusief sjoelbak, partytent en culinaire huisvlijt.
De buurt die samen onze 80-jarige buurvrouw door lockdown I loodste met boodschappen, anderhalvemetervrijmibo’s en pannetjes eten. De buurt ook die haar de laatste groet bracht op háár kade.
Van die kade vormen onze arken een onlosmakelijk deel, ook al heten ze officieel ‘drijvende bouwwerken’ en volgens hypotheekbanken zelfs ‘roerend’ in plaats van ‘onroerend goed’. Wat in bancaire termen zoveel betekent als: vogelvrij.
Nog tot diep in de vorige eeuw vielen woonbootbewoners onder de Wet Woonwagens en Woonschepen, in 1918 aangenomen “om de ‘gewone’ bevolking te beschermen en de openbare orde te handhaven”.*
Woonbootkinderen zouden onder die wet niet welkom zijn geweest op buurtscholen, maar naar de schippersschool zijn verwezen.
En ergens jaren nul van deze eeuw bedacht een wethouder dat ons drijvende rijtje een nautisch knelpunt vormde en daarom subiet onze buurt en zelfs ons stadsdeel uit gedreven zou moeten worden.
Zo formuleert elk nieuw gemeentebestuur een eigen unieke visie op wonen op het water. Nu eens vormen we een karakteristiek stadsbeeld of dé oplossing voor het woningtekort, dan weer zijn we vooral obstakels voor uitzicht en verkoopwaarde van de kapitale kadepanden.
Daar zijn we aan gewend.
Maar als mijn Cees me er de afgelopen decennia op wees dat onze ark nu eenmaal niet zoals de rest van Amsterdam is gebouwd op palen en er dus een moment kan komen dat onze woondroom uiteenspat, vond ik hem een zwartkijker.
Tot nu. Tot De Brief. De Brief die meer vragen oproept dan beantwoordt. Want: we komen toch wel weer terug?
* Zie Afschaffing van de wet op woonwagens en woonschepen.
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 2 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen de Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al meer dan twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

© Marjan Ippel

We moeten hier weg I: De Brief

Het onheil besloop ons als een kat. Behoedzaam, schijnbaar onbeweeglijk. Onwaarneembaar voor wie niet weet.
Het eerste teken dat er ‘iets’ stond te gebeuren, was het onaangekondigd verschijnen van lukraak geplaatste betonnen plantenbakken op de kade waar kort daarvoor nog auto’s geparkeerd hadden gestaan.
Niet veel later laadden mannen in oranje hesjes vrijwel dagelijks hun driepotige meetapparatuur uit een busje voor een werkdag vol onduidelijke handelingen. Tenminste, voor mij. Bijvoorbeeld: een van de twee staand op de brug, handgebaren uitwisselend met de ander op de wal, als leden van een geheim genootschap.
Na hun bezoek stonden er steevast nieuwe getallen (5401, 6952) met witte verf op de stoep geklad. Soms begeleid door een ferme pijl. Soms ook door een forse stip of cirkel. Aan de buitenmuren van de woonpanden verschenen fluokleurige schietschijfjes en spiegelende objectjes gefacetteerd als de ogen van een vlieg. Bij tijden waren die plots ook weer verdwenen of verplaatst.
Op het dieptepunt van de coronacijfers arriveerden de oranje hesjes ’s morgens vroeg in een personenauto met omgekeerd op het dak een minuscule roeiboot in matching kleur die in luttele seconden in het water lag. Ze pasten er net samen in, de oranje hesjes, de knieën bijna in hun nek. Zo begon een minutieuze roeitocht rond onze woonboten. Ze haalden monsters uit het water. Of stopten die er juist in. Geen idee. Hun antwoorden op onze nieuwsgierige vragen brachten ons niets verder.
Echt serieus werd het toen een Kuifje-achtig duikpak aan een lange rubberen navelstreng als het monster van Loch Ness opdook naast het keukenraam – de apotheose van zich verplaatsende slierten luchtbelletjes, alsof een school vissen dicht onder het wateroppervlak een polonaise deed.
En toen op een dag gleed De Brief door de brievenbus: ‘Tijdelijke verplaatsing woonarken’.
Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is column 1 in de serie We moeten hier weg.

Niet alleen Amsterdamse huizen, ook de ruim 600 kilometer aan kades die door de stad cirkelen en haar definiëren, zijn gebouwd op palen. Zo’n 200 kilometer daarvan staat op instorten en moet de komende zes jaar vanaf de waterkant volledig worden vernieuwd. Met als gevolg een ware volksverhuizing van de eraan aangemeerde waterwoningen.
Eén daarvan is mijn woonark waarop ik al meer dan twintig jaar woon met mijn gezin. De meeste van mijn drijvende buren liggen zelfs al ruim dertig jaar aan ‘onze’ kade. Waar we voor de duur van twee jaar heen gaan, hoe dat zal gaan, en wat er met mijn moesvlot gaat gebeuren waarop jaarlijks minimaal twee eendennesten huizen, weten we nog niet.
Een ingrijpende kadevernieuwing die geen Amsterdammer zal ontgaan. Al was het maar omdat er vanwege de werkzaamheden omgefietst zal moeten worden.

De Coronajaren XXIV: Liefde in tijden van lockdown

De Coronajaren XXIV: Liefde in tijden van lockdown

Vriendin 1 [in de rij voor een takeaway-cocktail; samenzweerderig]: ‘Ik had gister een date.’
Vriendin 2 [kirt enthousiast]: ‘Vertel!’
1: ‘We hebben uren gepraat. Het ging helemaal vanzelf.’
2: ‘Dus hij is leuk?’
[1 knikt blij]
2: ‘Is-ie knap?’
1 [knikt nog heftiger]: ‘Ik zal je zo z’n Instagram laten zien.’
2: ‘Waar ken je hem van?’
1: ‘Instagram. Aan het begin van de eerste lockdown hadden we al contact.’
2 [quasi-beledigd]: ‘Pardon?’
1: ‘Toen hij erachter kwam dat ik 22 was, zei hij: “Dan temper ik mijn verwachtingen maar een beetje.”’ [giechelt]
2: ‘Hoe oud is hij dan?’
1 [glunderend]: ‘42.’
[2 fluit tussen haar tanden]
1: ‘Ik vond het geen probleem. Hij wel. Ging-ie daarom maar iets met iemand anders beginnen. Maar hij DM’t me toch telkens weer.’
2 [zwijmelend]: ‘Zoeoeoet.’
1: ‘En ik doe niks, hè? Híj begint steeds met DM’en.’
2: ‘En nu?’
[Ze zijn aan de beurt om te bestellen. 2 stapt de drempel over en draait zich naar 1]
2: ‘Wilde jij nou een “Blue Taboo”?’
[1 knikt. 2 loopt naar binnen. Vriendin 3 en 4 sluiten achter in de rij aan]
3: ‘Wat zij allemaal pikt van hem omdat ze in de lockdown niet alleen wil zijn.’
4: ‘Ze is gek.’
3: ‘Weet je hoe hij haar noemt?’
[4 heeft geen idee]
3: ‘Mijn Febo-muur!’
[4 reageert geschokt en lacht dan nerveus]
4: ‘Ik wil niet weten wat hij daarmee bedoelt…’

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is deel 24, tevens het laatste deel, in de reeks De Coronajaren.

De Coronajaren XXIII: De deal

De Coronajaren XXIII: De deal

Reporter [in de camera]: ‘Ik sta hier voor het gerechtsgebouw. Al uren geleden zou hier de spraakmakende rechtszaak beginnen tussen de twee eenden die beide hetzelfde nest claimen met de dertien inmiddels uitgekomen eieren. Maar we zien nog geen enkele beweging-’
[Reporter krijgt iets door via zijn oortje en reageert allengs verbaasder]
R: ‘Er zijn nieuwe ontwikkelingen. Naar wat ik nu begrijp zal zo meteen hier buiten een statement worden voorgelezen. Door wie precies en wat dat statement gaat inhouden, is nog niet bekend.’
[Er klinkt geroezemoes onder de aanwezige media. Reporter krijgt opnieuw iets door via zijn oortje]
R: ‘Oké. Ik begrijp dat ze nu onderweg zijn. Nogmaals, wie “ze” zijn en wat ze hier gaan zeggen, daarover weten we nog niets.’
[De deur gaat open. Eend 1 (witte kraag, gele snavel) en Eend 2 (oranje snavel) komen samen naar buiten. Het geroezemoes zwelt aan]
R [fluistert in de microfoon]: ‘Dit is ongekend. Beide partijen komen samen naar buiten.’
Eend 1 [in de klaarstaande microfoon]: ‘Dank voor uw geduld. Wij zullen nu een kort gezamenlijk statement afleggen.’
Eend 2 [komt naast Eend 1 staan en leest van een A-4tje]: ‘Na overleg hebben beide partijen besloten een streep onder deze kwestie te zetten en met een schone lei opnieuw te beginnen. Dat betekent dat de rechtszaak en alle daarmee samenhangende claims per direct van tafel zijn. Dank u.’
[Eend 2 vouwt het A-4tje op en glimlacht naar Eend 1. Reporters steken hun hand op om vragen te stellen]
Eend 1: ‘Wij verzoeken u om ons en de kinderen nu rust en privacy te gunnen.’
[De eenden draaien zich om naar de deur]
R: ‘Maar wie is nou de “echte moeder”? En zijn jullie nu wel of niet moeder en dochter?’
[geroezemoes]
Eend 2 [draait zich terug naar de microfoon]: ‘Dat is een privézaak. Het is nu tijd om te helen. Goedemiddag.’
[Beide eenden waggelen weg. Reporter krijgt weer iets door in z’n oortje]
R: ‘Ik krijg net door dat er op Twitter geruchten gaan over een lucratieve deal tussen beide partijen waarover inderdaad verder niets naar buiten gebracht gaat worden. Wel zou Netflix de hele zaak gaan verfilmen met, wederom volgens Twitter, Katrien Duck in de hoofdrol.’
[Reporter luistert weer]
R; ‘Ook schijnt Eend 2 te hebben afgezien van elke moederlijke aanspraak op de pulletjes en zelfs alweer aan een nieuw nest te zijn begonnen in, jawel, dezelfde lavendelbak. Dat is het voor nu. Zodra we meer nieuws hebben, hoort u het hier het eerst!’

Naschrift Marjan Ippel: Het is nog altijd onduidelijk of de dertien eieren in het nest afkomstig waren van beide eenden of toch exclusief van eentje. Dat de eend met de gele snavel de “echte moeder” van in ieder geval een deel van de kuikentjes is, lijkt mij ondanks die afwijkende snavelkleur nu toch het meest waarschijnlijk…

Wordt ongetwijfeld vervolgd

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021
(Foto: ja hoor, net door mij leeggeruimd en daar ligt alweer ei numero uno van de volgende leg)

Dit is deel 23 in de reeks De Coronajaren en deel 8 in de continuing story over het eendennest op mijn vlot. De eerdere delen vind je hierhierhierhier, hier, hier en hier.

De Coronajaren XXII: De waarheidsvinding

De Coronajaren XXII: De waarheidsvinding

Onderzoeksrechter: ‘Wat heeft u precies gezien?’
Getuige: ‘Ineens staken er allemaal eigenwijze koppies boven de rand van de lavendelbak uit. Honingkleurige pomponnetjes met snavels. Zoooo schattig!’
O [noteert iets]: ‘Maar wat gebeurde er?’
G: ‘Op een gegeven moment kon de moeder die dondertjes niet meer in toom houden-’
O: ‘De vermoedelijke moeder.’
G: ‘Nee dit was d’r, ondanks de gele snavel. Honderd procent. Zo’n moederinstinct kun je niet faken.’
O: ‘Ik verzoek u zich tot de feiten te beperken. Wat gebéurde er?’
G: ‘Ik denk dat ze wachtte tot alle eieren waren uitgekomen-’
O: ‘Nogmaals, het gaat hier niet om wat u denkt, maar om waarheidsvinding.’
G: ‘Sure. Opeens vloog moeder op, ging voor het vlot in het water liggen en instrueerde de donsballetjes er ook in te springen.’
O: ‘Luisterden ze?’
G: ‘Precies op dat moment begon het keihard te hagelen.’
[geeft met de hand een formaat aan]: ‘Zulke stenen! De piepertjes bedachten zich, bibberend als kleuters die het koude water in moeten voor hun allereerste zwemles.’
O: ‘Hoor ik u zeggen dat ze deze “moeder” niet instinctief volgden? Mogelijk afwezen, zelfs?’
G: ‘Nee, dat hoort u niet. U hoort mij zeggen dat ze heel verstandig even die koude bui afwachtten. Afijn, moeder weer terug op het nest om ze alle dertien onder haar vleugels te nemen als onder een reuzebadlaken.’
O [moet hier onwillekeurig om glimlachen]: ‘En?’
G: ‘Toen de zon weer scheen, deed ze een tweede poging. En ja hoor: plop, plop, plop. Alle dertien het water in voor een wedstrijdje wie het dichtst tegen mama kon aanschuren. In de verte kwamen twee woerden aanzwemmen als grote slagschepen. Eén dook meteen agressief bovenop ma.’
O: ‘Mogelijk “de echte vader”?’
G [smalend]: ‘Eerder een aanrander. Gelukkig werd hij uitgeschakeld door wat ik dan “de echte vader” noem, die vervolgens samen met vrouw en kinderen de einder tegemoet zwom.’
O: ‘“Eind goed, al goed”, hoor ik u zeggen?’

Wordt vervolgd…

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is deel 22 in de reeks De Coronajaren en deel 7 in de serie over het eendennest op mijn vlot. De eerdere delen vind je hierhierhierhier, hier en hier.

De Coronajaren XXI: Breaking news!

De Coronajaren XXI: Breaking news!

Op het vlot staat opnameapparatuur opgesteld. Reporter loopt telefonerend richting de lavendelbak, waarin Eend door de visagist in de make-up wordt gezet.
Reporter [tegen Eend]: ‘Je crypto’s zijn gestort. Kunnen we dan nu beginnen?’
Eend: ‘Moment. Even goed gaan zitten.’
[Eend bolt zich op en maakt zich zo breed mogelijk. Reporter wacht ongeduldig]
R [tot de collega’s]: ‘Camera? Geluid?’
[in de camera] ‘Goedemorgen vanaf het vlot in Amsterdam. We hebben breaking news, mag ik wel zeggen [gniffelt]. Nietwaar?’
[Eend wiebelt ongemakkelijk en knikt]
R: ‘Want…?’
[Eend kijkt wantrouwend]
R [ongeduldig]: ‘Stop maar. Het zou handig zijn als jij je verhaal doet en niet ik. Begrijp je?’
E: ‘Natuurlijk. Sorry. De eieren zijn uitgekomen.’
R: ‘Even wachten op camera en geluid. Kannie? Oké. Goedemorgen vanaf dit Amsterdamse vlot. We hebben breaking news-’
[Er floept een kuikenkopje onder Eend vandaan. En dan nog één en nog één]
E [bezorgd]: ‘Kwik, Kwek en Kwak, wat heb ik nou gezegd? Onder mijn vleugels blijven!’
R [in de camera]: ‘Ja, u ziet het goed: de eieren zijn uitgekomen.’
[tegen Eend] ‘Hoeveel zijn het er?’
E: ‘Daar kan ik niks over zeggen.’
[tot de kuikentjes] ‘Hierrrr!’
R: ‘Ik tel er minstens drie. Wanneer is het begonnen?’
E: ‘Gistermiddag. Ik heb mijn eerste slapeloze nacht er inmiddels opzitten. En dat met die vrieskou. Ik geef het je te doen, die koters onder je buik houden.’
R [ lacht ongemakkelijk]: ‘Dat geloof ik. Zijn ze nu allemaal uit hun ei gekropen?’
E: ‘Daar kan ik helaas geen uitspraak over doen.’
R: ‘Waarom niet?’
E: ‘Mijn advocaat heeft mij geadviseerd hierover te zwijgen in verband met de rechtszaak tegen de twee oplichters die hebben geprobeerd mij te verjagen en toen dat niet lukte, mij tegenover de media te stigmatiseren.’
R: ‘Oplichters?’
E: ‘Je weet over wie ik het heb. Ook jullie zijn kritiekloos meegegaan in dat pathetische verzinsel dat ik hun nest zou hebben geroofd.’
R: ‘We hebben geprobeerd wederhoor te plegen…’
E: ‘Toen jullie je vooringenomen verhaaltje al helemaal klaar hadden mocht ik nog een pakkende soundbite leveren, bedoel je.’
R: ‘Waarom praat je nu dan wel met ons?’
E: ‘Om iets recht te zetten. Nergens in de berichtgeving heb ik teruggelezen of -gehoord dat ik als eerste in deze lavendelbak zat. Dat die twee uitvreters pas dagen later aankwamen, toen ik het voorwerk al had gedaan. Zij hebben míjn rechten met poten getreden, niet andersom.’
R: ‘Maar-’
E: ‘En dan háár “de echte moeder” noemen. Heb je enig idee hoe dat voelt? Of om te moeten horen: “Jij bent een faker” en “schriel en vaal”?’
[verschillende kuikentjes piepen plots onder de buik vandaan]
E: ‘Stil maar, mammie is niet boos op jullie. Nog even lief blijven zitten. We gaan zo.’

Wordt vervolgd

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is deel 21 in de reeks De Coronajaren en deel 6 in de serie over het eendennest op mijn vlot. De eerdere delen vind je hierhierhierhier en hier.

De Coronajaren XX: Eieren in lockdown

De Coronajaren XX: Eieren in lockdown

Paasochtend 2021. Terwijl er voor deze tweede lockdownviering eieren bij ons in de steelpan liggen, houdt de mogelijk genderfluïde eend op mijn vlot zeker dertien eieren in lockdown. Volgens onze berekeningen zal het nog pakweg drie weken duren voordat de kuikentjes uit hun schaal breken. Tenminste, als het klopt dat de “echte moeder” zo’n week geleden haar laatste dropping in het nest deed toen genderfluid mum even voor haar inschikte.
Onze angst is alleen dat de surrogaatmoeder de hele broedcyclus in de war heeft geschopt door te vroeg te gaan broeden, waardoor niet alle eieren tegelijk zullen uitkomen. Met alle gevaren en gevolgen voor de pulletjes van dien.
Ook de “echte moeder” zit daar ogenschijnlijk mee. Nog regelmatig komt ze met haar vent de bizarre situatie in ogenschouw nemen. Zo ook vanochtend. Ditmaal blijft het niet bij een snelle inschatting, waarna het ouderpaar weer afdruipt. Het duo lijkt vastberadener. Zelfs vader, die meestal nogal lapswanzig op de achtergrond drijft. Als hij plots op het vlot springt, denken wij even dat het nu dan toch matten gaat worden op deze vredige paaszondag. Intussen probeert moeder opnieuw andere plantenbakken uit. Met haar oranje snavel trekt ze wat blaadjes van takken en poogt ze halfslachtig een kuil te graven, maar uiteindelijk bevredigt dit haar kennelijk niet voldoende.
Háár eieren liggen immers in die ene, onbereikbare lavendelbak. Elk ander nest is slechts surrogaat.
Geheel in de geest van de wederopgestane Heiland werpen de twee uiteindelijk alleen een lankmoedige blik op de genderfluïde broeder vóór ze het vlot afspringen en verder zwemmen. Het lot van hun kinderen in haar/zijn handen leggend.

PS De mogelijkheid bestaat ook nog altijd dat de eieren van twee moeders afkomstig zijn en dat de ene, wellicht zelfs de dochter van de andere, al wél klaar was met leggen en dus voor haar eigen nageslacht op tijd begon met broeden.

Wordt vervolgd?


Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021
(foto: de zeker 13 eieren in het bewuste nest toen de mogelijk genderfluïde moeder even een frisse neus aan het halen was)

Dit is deel 20 in de reeks De Coronajaren en deel 5 in de serie over het eendennest op mijn vlot. De eerdere delen vind je hierhierhier en hier.

De Coronajaren XIX: De BijbelBelt-bordjes

De Coronajaren XIX: De BijbelBelt-bordjes

Voor alweer de tweede paasbrunch in lockdown wil mijn dochter de tafel dekken met de klederdrachtbordjes. De wit-met-blauwe borden zijn een erfenis uit mijn kindertijd, ooit bij elkaar gespaard met BlueBand-punten.
Ze heten bij ons de “BijbelBelt-bordjes”, omdat de afgebeelde klederdrachten veelal afkomstig zijn uit de bevindelijk gereformeerde gemeenten die in een strook van pakweg Zeeland naar Overijssel liggen.
Waren wij thuis in mijn ogen zwaar gereformeerd, vergeleken met die dorpen ging het toch echt om een vorm van refo-light. Zo waren ik, mijn broers en zussen gevaccineerd. Dit in tegenstelling tot de kinderen uit deze Bible Belt, of ook wel RefoBand, die bovendien nog in lokale klederdracht rondliepen. In elk geval op zon- en christelijke feestdagen.
Alleen al zulke kleren te moeten dragen leek mij als klein kind een beproeving waarbij vergeleken die van de bijbelse Job kinderspel was.
Toen er begin jaren zeventig een polio-uitbraak was in Staphorst, een van de BijbelBelt-dorpen, raakten er door dit dodelijke virus 39 niet-ingeënte kinderen verlamd en stierven er vijf. Dit alles onder het oog van de plaatselijke dominee die zonder blikken of blozen voor het achtuurjournaal verkondigde dat niemand op de stoel van God mocht gaan zitten en de levensreddende vaccinaties daarom het werk van de duivel waren.
Ik kon daar als klein kind niet bij. Werden de getroffen leeftijdsgenootjes niet juist door God gestraft, terwijl ze gehoorzaam waren aan Zijn bij monde van de dominee uitgesproken wil? Ze waren immers niet ingeënt?
In die dagen deed ik telkens een stoelendans rond de eettafel om maar niet bij het Staphorst-bord te hoeven zitten, uit vrees dat ik op de een of andere manier toch met polio besmet zou kunnen raken als ik ervan at.
Toen ik laatst hoorde hoe de bevindelijke dominee uit Urk de coronaregels aan zijn laars lapte en vijfhonderd gelovigen in zijn kerk verwelkomde, omdat het lot van hen nu eenmaal exclusief in de handen van God ligt, werd ik plots decennia teruggeworpen in de tijd.
Voordat mijn dochter de BibleBelt-borden op tafel zet, check ik of er een van Urk tussen zit.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is deel 19 in de reeks De Coronajaren.

De Coronajaren XVIII: Coronalijer

De Coronajaren XVIII: Coronalijer

De premier: ‘Ja voorzitter, ik heb dat inderdaad in vertrouwen gezegd over fractievoorzitter, maar-’
Fractievoorzitter: ‘Dit is toch onbestaanbaar? Een premier die zich zo uitlaat over collega-politici!’
P: ‘Nogmaals, dat was in vertrouwen, voorzitter.’
F: ‘Dus het mag, zolang het maar niet openbaar wordt? De premier is zo niet geloofwaardig meer, voorzitter.’
P: ‘Dat moet u zeggen. Ik heb net ook met rode oortjes gelezen wat u over mij zei.’
F [verontschuldigend]: ‘Ik ben nu eenmaal de luis in de pels van deze Kamer, voorzitter.’
P: ‘En daar gelden geen regels van fatsoen voor?’
F: ‘Mooi om het woord “fatsoen” uit uw mond te horen, na hoe u mij omschreef in de verkenningsgesprekken.’
P: ‘Laten we het even omdraaien. Waar heeft u mij de afgelopen jaren in de Kamerdebatten niet allemaal mee vergeleken?’
F: ‘Dat heb ik met open vizier gedaan. U kon er onmiddellijk op reageren. Wat u ook bepaald niet naliet.’
P: ‘Nu ben ik ineens verantwoordelijk voor de verruwing van de taal in deze Kamer?’
F [cynisch]: ‘U? Nee, u bent het toonbeeld van beschaafde conversatie.’
P: ‘Kom, kom, uiteindelijk hebben we toch allebei niets gezegd wat niet met twee weken wijn en koffie drinken opgelost kan worden? [Hem schiet iets te binnen] Da’s waar ook. U bent geheelonthouder.’
F [verontwaardigd]: ‘Voorzitter, nu begint hij gewoon weer!’
Kamerlid [in de interruptiemicrofoon]: ‘Gezellig hoor heren, dit onderonsje. Maar uw akkefietje komt niet in de buurt van hoe ik door u beiden werd omschreven tijdens de verkenningen.’
P & F [simultaan verbaasd]: ‘Maar u lééd toch ook aan corona?’

Op donderdag 1 april 2021 werd het eerste Kamerdebat van de nieuw gekozen Tweede Kamer gevoerd over de uitgelekte notities van de vertrouwelijke gesprekken die verkenners Ollongren en Jorritsma met de 17 fractievoorzitters hielden. Premier Rutte vroeg de fractievoorzitters voor aanvang van het debat voorzichtig met elkaar om te gaan, om te voorkomen dat er eerst ‘weer twee weken wijn en koffie bij elkaar gedronken’ moest worden, voordat de kabinetsformatie verder zou kunnen gaan.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is deel 18 in de reeks De Coronajaren.

De Coronajaren XVII: Kwaaknieuws

De Coronajaren XVII: Kwaaknieuws

Reporter: ‘Goedemorgen, Kwaaknieuws. Mag ik u iets vragen?’
Eend: ‘Nee.’
R: ‘Er gaan geruchten dat u-’
E: ‘Ik zei “nee”.’
R: ‘Morgen verschijnt er een groot stuk in Kwaaknieuws. Met of zonder uw toestemming. Ik geef u de kans om uw kant van het verhaal te vertellen.’
E: ‘Er is geen verhaal. Laat me met rust.’
R: ‘Wilt u niet dat de waarheid wordt verteld?’
E: ‘Ik wil in alle rust m’n eieren uitbroeden. Dat wil ik.’
R: ‘Dat begrijp ik. Daar gaat het hier ook om. Het schijnt dat u-’
E: ‘Het schijnt dat jij een dove kwartel bent. Dan zeg ik het wat harder: Rot op!’
R: ‘Ik zie dat u een gele snavel heeft en een witte kraag. Hebben niet alleen woerden dat?’
E: ‘Gij zegt het.’
R: ‘Wij hebben er een stadsecoloog bijgehaald en die bevestigt dat vrouwtjeseenden een oranje snavel hebben en woerden-’
E: ‘Wat is je punt?’
R: ‘Heeft u dit nest geroofd? Bent u een kraker?’
E: ‘Ik ben een kwaker. En ik heb hier geen tijd voor. Ik moet m’n eieren omdraaien.’
R: ‘Ik wil best geloven dat het uw eieren zijn, maar bent u de moeder of de vader? Of wellicht de dochter?’
E: ‘Nou moet jij eens even goed luisteren: al ben ik de opa, wat doet het er toe als deze pulletjes maar gezond en veilig op de wereld komen?’
R [noteert sensatiebelust]: ‘Aha, dus u bent de opa? Vandaar uw vale kleuren en schriele lijf.’
E [draait zuchtend de eieren, met de rug naar de reporter toe]: ‘Whatever.’
R: ‘Waar is de moeder? Ik heb gehoord dat zij elke ochtend tevergeefs komt kijken of ze op haar eigen nest kan. Dat ze zelfs een paar keer bovenop u is gesprongen, omdat ze echt haar ei kwijt móest.’
E [trekt met de gele snavel donsjes uit het lijf en schikt die zorgvuldig op het nest]: ‘Ik herken mij hier niet in. [mompelend] Coronalijer.’

Wordt vervolgd?

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is deel 17 in de reeks De Coronajaren en deel 4 in de serie over het eendennest op mijn vlot. De eerdere delen vind je hier, hier en hier.

De Coronajaren XVI: De fuik

De Coronajaren XVI: De fuik

Meerkoet 1: ‘Zo, het was me het weekendje wel.’
Meerkoet 2: ‘Heb je de eenden weer lopen opjagen? Laat ze toch eens met rust. Vrijheid blijheid.’
1 [verontwaardigd]: ‘Ik heb niks gedaan.’
2 [sceptisch]: ‘Jaja, dat ken ik.’
1: ‘Echt. Al zou ik hebben gewild. Een spektakel hier, man.’
2 [argwanend]: ‘Wat dan? De groene halsbandparkieten zeker weer?’
1: ‘Niet in het water, op de kant. Veertienhonderd van die, hoe heten die vogels ook alweer, mensen liepen hier bovenop elkaar over de brug de kade op. Zingend, joelend, filmend.’
2: ‘Ga weg, veertienhonderd? Dat kan die kade toch helemaal niet hebben? Die is hartstikke verzakt.’
1: ‘En achter hen aan heel veel busjes vol groen-met-zwarte types met schilden en mondkapjes die de kade vervolgens gingen blokkeren.’
2: ‘Waarvoor dan?’
1 [rolt met de ogen]: ‘Ze hebben het me niet verteld.’
2: ‘Eng, man! Was je niet bang voor je nest? Zoiets loopt meestal gierend uit de klauwen.’
1: ‘Doosbang. In gedachten zag ik de fietsen, stoeptegels en plantenpotten al op mijn nest belanden. Maar niks. Zingen, daar bleef het vooral bij.’
2: ‘Wat zongen ze dan?’
1: ‘Eerst “Liefde, vrijheid, geen dictatuur”. En later op de middag “Zij gelooft in mij” en “A little less conversation, a little more action”. Toen werd er ook gedanst.’
2: ‘Waarom liepen ze niet gewoon door?’
1: ‘Omdat aan het andere eind van de kade ook groen-met-zwarte types met schilden en mondkapjes stonden om hen tegen te houden.’
2: ‘Een soort eendenfuik? Maar dan voor mensen?’
1: ‘Daar leek het veel op. Ze stonden daar niet vrijwillig urenlang in de kou hun plas op te houden, tot ze het maar op de kade lieten lopen… Ze konden geen kant op. Behalve het water in. Wat sommigen ook deden.’
2: ‘Ons water!?’
1: ‘Ja, je hebt echt wat gemist.’
2: ‘En hoe liep het af dan?’
1: ‘Na uren werden ze in grote bussen weggereden. En dat was dat.’

Op zaterdag 20 maart 2021 werd een groep van zo’n 1400 demonstranten door de politie van het Amsterdamse Museumplein verjaagd en in een fuik geleid op de Leidsekade, waar zij – en daardoor ook alle kadebewoners – urenlang zijn vastgehouden.

Tekst & beeld: © Marjan Ippel, 2021

Dit is deel 16 in de reeks De Coronajaren.